Lees- en kijktijd ca. 12 minuten

Tekst Rob Hoen

Een ansichtkaart met een hypermarché in Montfermeil. Eigenlijk is het geen ansicht, maar een reclamekaart van SUMA. Dat staat voor SUperMArché en de keten behoort tot de eerste generatie hypermarkten van Frankrijk. Die kaart krijg je aan de kassa. Aan de achterkant staan de openingstijden vermeld, met soms een routebeschrijving. Eigenlijk weet je al lang waar die supermarkt ligt, want je hebt die kaart zojuist aan de kassa meegekregen. Maar misschien toch handig, zo’n kaart.

MONTFERMEIL-LOCATER-1000Niet dat ik deze ansichtkaart zal gaan versturen voor een verjaardag. Je kent dat wel. Een dag te laat ontdek je in je agenda dat Jean of Jeanette jarig is geweest. Haastig kijk je in de la met nietszeggende -gratis- kaarten om er alsnog een te schrijven. Jean was ik vorig jaar ook al vergeten! Hopend dat de jarige denkt dat het aan de posterijen ligt dat die kaart een dag te laat komt. Iedere keer weer kom ik deze ansicht tegen bij een volgende vergeten verjaardag.
Maar nu weet ik waarom ik hem heb bewaard. Omdat deze kaart een typisch Frans fenomeen laat zien: de hypermarché’s.  Ze kunnen zomaar uit het niets opdoemen. Een enorm gebouw met een 500 meter brede pui. Waar ooit koeien graasden. Waar eens een begraafplaats was, een klooster of een veld met koolzaad. Je haat ze of je vindt ze geweldig, deze superefficiënte uitwassen van de consumptiemaatschappij. Overgewaaid uit Amerika begin jaren zestig – toen alles dat uit de VS kwam nog goed was – hebben deze hypermarché’s de complete Franse winkelmiddenstand uit steden, stadjes en dorpen weggevaagd. Want daar vind je nu nog nauwelijks een gewone groenteboer meer. Misschien nog wel een enkele bakker, een slager. De laatsten der Mohikanen. Waarom zo veel kleine winkels, als je alles gewoon in een enkel gebouw kunt stoppen met een centrale kassa? Je tegelijk alles in de auto kunt doen en geen last meer wilt hebben met het zoeken van een parkeerplaats in verstopte stadscentra? En als de politiek je geen strobreed in de weg legt? Onbewust moet ik aan Jos van Rey denken en zijn Palermo aan de Maas als ik zo’n megawinkel zie. Ook al protesteer je dat je een ons weegt, die winkel komt er. En dan ben je uiteindelijk toch dankbaar.
De hypermarkt van SUMA op de ansichtkaart is geopend in 1967 in Montfermeil. Dat is een voorstad van Parijs. Het is nog maar een kleintje. Met net 2700 vierkante meter is het een voorbode van wat er komen gaat. In 1969 bouwt de controversiële architect en betonliefhebber Claude Parent een ogenschijnlijk overdreven grote hypermarkt in Ris-Orange. Het zijn dus niet altijd saaie, vormeloze hallen.

SUMA RIS-ORANGE ARCHTECT PARENT

CASINO MARSEILLEHet is in de tijd dat De Gruyter nog het ‘snoepje van de week’ heeft en Albert Heijn nog spreekt van zelfbedieningswinkels. In de jaren zestig schieten ze als paddenstoelen uit de grond. Supermarkten in allerlei vormen en maten. Maar vooral ook de hypermarkt.
Een hyper is een complete megamarkt waar je naast levensmiddelen nog een hoop andere dingen kunt kopen die je niet in je mond kunt stoppen. SUMA bestaat intussen niet meer, maar In Frankrijk zijn er genoeg andere concerns die zweren bij deze formule: E. Leclerc, Intermarché, Carrefour om er maar een paar te noemen.
SUPERMARCHE-LISTEL-AGDE-CAMPING-LE-CASTELLAS-webFrankrijk is een land van uitersten. Van het kleinschalige, kneuterige. Dat vinden we allemaal mooi. Iedereen kent ze. Die heel kleine winkeltjes waar je bijna alles kunt kopen; van wc-papier en haarborstel tot geitenkaas. Alles bijeen gepropt in een winkel met heel smalle gangpaden met verkleurde plastic winkelmandjes. Waar je de geuren van rijp fruit en wasmiddel door elkaar kunt ruiken. Waar aan het einde een madame achter de kassa zit. Ze komt uit de aangrenzende woonkamer als je wacht bij de kassa, waar een televisie continu brult. De beelden zijn als een bewegend schilderij. Niemand kijkt er naar.
Hypermarché’s zijn van een andere orde. Met een oppervlakte van meer dan 15.000 vierkante meter met tenminste twintig, dertig of nog meer kassa’s. Een parkeerplaats voor 1000 auto’s met een benzinestation. En een ongezellig café-restaurant. Want boodschappen doen maakt hongerig. Het zwarte bitumen dakoppervlak van zo’n hypermarché is zo groot, dat zweefvliegers van het nabij gelegen vliegveld de plek opzoeken om te profiteren van de thermiek. In de nieuwe welvaart doe je de boodschappen met je auto en neem je alles wat je voor één week nodig hebt mee, inclusief benzine.
Deze mega-supermarkten vind je in Frankrijk niet alleen aan de rand van grotere steden, ze staan ook bij kleinere steden of zelfs grote dorpen. Naar gelang de grootte van de stad, groter of minder groot. Ze maken van Albert Heijn XL een kleine kruidenier.
Ik vind het heerlijk om door zo’n supergrote winkel te lopen. Alleen al omdat ik een SUPERMARCHE-SUMA-SNACKBAR-STRAATSBURG-webJumbo of Albert Heijn gewend ben. Dat zijn winkels waar je zo doorheen bent. Waar je struikelt over de vakkenvullers. Want er zitten altijd gaten in het assortiment: ‘Het is alweer op, morgen hebben we het weer’ of ‘ik ga wel even achter kijken’, om vervolgens te horen ‘dat het niet met de vrachtwagen meegekomen is’. Niets van dit alles in Franse hypers. Er wordt nooit nee verkocht. En vakkenvullers, die zie ik er nooit.
Van brood tot oesters, kokkels en kreeften, van kinderwagen tot een nieuwe accu voor je auto, van onderbroek tot merguez en televisie. Je kunt er gewoon écht alles kopen. Een schap van vijftien meter lang, met alleen maar zuiveltoetjes, tien meter chocolade of voorverpakte vleeswaren. Of vijftig soorten drinkwater, veertig varianten van mayonaise, met een wijnafdeling die iedere Nederlandse slijter subiet ontnuchtert. Een groenteafdeling die tien Hollandse groenteboeren niet eens kunnen vullen. En daarnaast ook nog eens een grote slager en viswinkel, met verse producten met een keus en kwaliteit waar het assortiment van een gemiddelde Nederlandse slager of visboer mager bij afsteekt.
Op weg in Frankrijk bezoek ik er wel altijd een paar. Niet om er groots in te kopen, maar om er levensmiddelen te kopen die ik in Nederland niet kan krijgen. Of omdat ze daar gewoon van een betere kwaliteit zijn. Niet omdat het daar goedkoper zou zijn. Het is een wereld van contrasten. Dan zie ik mensen met een kop op twee karren tegelijk door de kassa gaan. Maar ook klanten met slechts een of twee producten in de winkelwagen. Vaak oudere jongeren (in Frankrijk ga je al voor je 55-ste met pensioen) die dan in zo’n moderne winkel al hun producten zelf scannen, maar aan de kassa een papieren cheque uitschrijven…
Die hypermarché’s zijn trouwens de hele dag open. Tot in de avond. Ook Frankrijk kent een 24-uurs-economie. Dat gaat niet altijd op voor de bijbehorende pompstations. Bij de nieuwste hypers kun je alleen met pin betalen en is de pomp onbemand. Maar er zijn er ook nog met zo’n glazen hokje, waar een cassière in zit die verveeld met haar telefoon zit te spelen. Je kunt daar zowel met pin als met cash betalen. Een pinautomaat bij de pomp zelf is er niet. Je moet wel door de sluis langs het glazen huis. Als je dan om ongeveer om half een in de middag aanschuift om je tank te vullen, gaat op eens het hokje op slot en de pomp uit. Het is lunchtijd. Hypermarché of niet. ‘Om half twee ben je de eerste’, lijkt de cassière te willen zeggen en ze loopt naar haar brommer, waar haar getatoeëerde vriendje op haar wacht. De luxaflex tegen de brandende zon heeft ze in een ruk helemaal dichtgetrokken. Het loket is dicht. Die lunch is heilig in Frankrijk. Mijn collega suggereert om door te rijden naar de eindbestemming en onderweg te tanken. Eten zien we wel. Maar ik besluit het dichtstbijzijnde restaurant op te zoeken. Om uitgebreid te lunchen. Die juffrouw die zojuist onverbiddelijk op de stopknop geduwd heeft, ze heeft gelijk. Werken kan later ook nog.