Tekst Sylvia Witteman (de Volkskrant van dinsdag 29 november 2016)

In zo’n onbeduidend, zondags stil straatje ten noordwesten van het Vondelpark werd ik staande gehouden door een bleke vrouw met een rugzak, die in het Engels om hulp vroeg en me een briefje toonde. ‘Reyer Anslostraat’ stond erop. Ik keek naar het straatnaambordje boven haar hoofd en zei lachend: ‘Dit ís de Reyer Anslostraat…’
De vrouw keek onthutst om zich heen. Ze had zich er blijkbaar meer van voorgesteld.
Ik vroeg me af wie Reyer Anslo was. Waarschijnlijk een zeeheld, zo’n recentelijk in ongenade gevallen Oost-Indiëvaarder, die in de 17de eeuw, tussen het heen en weer zeilen met schepen vol kruidnagels en nootmuskaat door, allerlei onaardigs heeft gedaan in onze voormalige koloniën.
Terwijl de vrouw sprakeloos naar de gevels staarde, kwam er vanaf de Overtoom een meisje van een jaar of 10 aangelopen. Een mooi, rank, stoer meisje was het, met lange donkere krullen, in spijkerbroek en honkbaljackje. Ze hield stil naast een poederblauwe auto.

Van auto’s heb ik geen verstand, maar deze herkende ik wel: een oude Citroën DS, in de volksmond ook wel ‘Snoek’ genoemd (en in de Duitse volksmond een ‘Haifisch’,wat eigenlijk meer tot de verbeelding spreekt).

Je ziet ze veel in Amsterdam, vooral bij mensen die denken dat ze met het bezit van een oude DS uitdrukking geven aan een uniek, superieur levensgevoel.
Ik wilde juist iets heel truttigs gaan zeggen als ‘Nou, zeg, jongedame’, toen ik achter me hoorde roepen. ‘Vincent!’
Het meisje hield stil naast de Snoek, trok uit haar jaszak iets langwerpigs tevoorschijn en begon op de achterkant van de auto te krassen. ‘Hé, niet doen’, riep ik. Ze keek me even koel aan, met door lange, zwarte wapperwimpers omrande ogen, en kraste toen verder, de boventandjes in haar kersenrode onderlip.
‘Hou eens op, zeg’, hernam ik en liep naderbij. Het kind zei schor: ‘Het is maar stift, hoor… het gaat er weer af…’ Ze likte aan haar duim en veegde over de krassen, die inderdaad in een smoezelige vlek veranderden. Weer keek ze me aan met die prachtige ogen en sprak kalm: ‘Trouwens, waar bemoei je je mee…’
Ik wilde juist iets heel truttigs gaan zeggen als ‘Nou, zeg, jongedame’, toen ik achter me hoorde roepen. ‘Vincent!’
Het meisje keek op.
‘Vincent, kom je? Oma is er al’, riep een knappe vrouw, die sprekend op haar leek. Op hém, dus. Het mooie, ranke meisje was een jongetje met lang haar. Hij liep ook als een jongetje, zag ik, toen hij wegstapte, zijn broek ophijsend van zijn magere jongensbillen.
Terwijl ik met mijn jasmouw de krassen van de auto poetste, dacht ik somber aan Reyer Anslo. Die was dan vast ook geen zeeheld, wedden?