Kijk- en leestijd: ca. 15 minuten

Dit verhaal verscheen eerder op de website van Fotosouvenirs.

Tekst © Rob Hoen

Met de auto op weg naar huis. Nog meer dan 600 kilometer te rijden. Te laat vertrokken om op tijd thuis te zijn. Als ik dan een motel zie in de verte dan bekruipt mij altijd een onbestemde emotie. Maar met de ansichtkaart van Motel Breda in de hand, gemaakt in 1962, weet ik het: een gevoel van leegte, eenzaamheid. Die lege kamers links op de kaart. Een plek waar ik niet wil zijn, tenzij het echt niet anders kan.

Onderweg in de nacht, totdat het niet meer gaat. Je ogen vallen dicht, terwijl je verder wilt. Dat is het moment om bij een motel te stoppen. Want nu nog een echt hotel zoeken is te veel gevraagd. Voor avonturiers zijn motels misschien een hoogtepunt van romantiek. Voor mij zijn ze een jammerlijk einde van een dag.
Eenmaal in zo’n motelkamer bedenk je dat die laatste vijfhonderd kilometer best nog te rijden zijn. Want wat heb ik hier nu te zoeken? Het continu denderende verkeer in de verte. Het uitzicht op een schaars verlichte parkeerplaats vol met vrachtwagens op een desolaat industrieterrein. Motels liggen dichtbij de grote doorgaande wegen, nooit op A-locaties.
Een kamer met een televisie waar niks op is. Een schone kamer dat wel. Maar je vermoedt wat zich in deze kamer allemaal afgespeeld heeft. Echtelijke ruzies of stiekeme, gepassioneerde vrijpartijen. Vertegenwoordigers die geen zin hebben om naar huis te gaan of vervelende gesprekken voeren met hun baas. Een broedplaats voor criminele activiteiten. Je voelt het gewoon als je in zo’n kamer bent. De vluchtigheid van een kort verblijf in een motel.

Mo-tel is een porte-manteau voor motor en hotel; je parkeert de auto zowat in de slaapkamer. Motels zijn naar Nederland overgewaaid uit de Verenigde Staten in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Daar zijn de eerste motels in de jaren twintig gebouwd. Met de groei van het Amerikaanse wegennet en automobiliteit ontstaat steeds meer behoefte aan plekken om te overnachten. De afstanden zijn zo groot en de wegen nog te slecht om je reis in een enkele dag te maken. Handelsreizigers slapen in de auto of zelfs in een tent langs de weg. Dat brengt de broers Heineman op het idee om precies in het midden tussen Los Angeles en San Fransisco het eerste Milestone Mo-Tel te bouwen. Het kost in die tijd twee dagen om van de ene naar de andere plaats te rijden. Al gauw bouwen de Heinemans op verschillende locaties, telkens om de 300 kilometer motels langs de weg en zo ontstaat de eerste Amerikaanse hotelketen: The Motel Inn. Het aantal motels in de VS groeit explosief en ze krijgen hun kenmerkende aanzien. Aan elkaar geschakelde kamers aan een galerij met de deur gericht naar een grote parkeerplaats. Soms is er een tweede verdieping.
En natuurlijk is daar de opvallende neonverlichting langs de weg, die eindeloos blijft flakkeren en je ‘s nachts uit je slaap houdt. Melden bij het kantoor, waar de receptionist achter kogelvrij glas zit, vooraf afrekenen en je kunt naar je kamer gaan. Uitchecken is niet nodig. Je bent absoluut anoniem in zo’n motel. Vandaar ook een ontmoetingsplaats voor heimelijke seks en criminaliteit. Het is een inspiratiebron voor filmmakers. Psycho, Thelma & Louise, Leaving Las Vegas, Hit & Run, om maar een paar voorbeelden te noemen.
Als ik zo’n rij met aquarium-kamerdeuren zie, moet ik altijd denken aan de moord op Martin Luther King, die op zo’n motelgalerij in 1968 doodgeschoten wordt, vlak voor hij zijn kamer binnen gaat. Dat is in het Lorraine Motel in Memphis. Een dag nadat hij zijn laatste speech ‘I’ve Been to the Mountain Top’ gegeven heeft. King logeert vaker in dit motel, bekend uit The Negro Motorist Green Book. Dat is een soort Michelingids voor kleurlingen, om zeker te weten dat ze welkom zijn in Amerikaanse horecagelegenheden. Dit motel heeft prominente gasten gekend: Louis Armstrong, Ray Charles, Otis Redding, Aretha Franklin, om er maar een paar te noemen. Beroemde nummers als ‘Knock on Wood’ en ‘In the Midnight Hour’ worden hier geschreven. In 1982 gaat het motel failliet en wordt het een bordeel. Nu is het een museum: The National Civil Rights Museum.

Motel Breda is niet het oudste motel van Nederland. Dat is Motel Hoornwijck in Rijswijk, geopend in 1956 en afgebrand in 1984. Gelegen aan de toen drukste weg van Nederland, tussen Rotterdam en Den Haag. De Kampioen -het lijfblad van de ANWB- besteed er in die jaren uitgebreid aandacht aan: ‘Het zit- en slaapvertrek is ruim, met smaak en comfortabel ingericht. Het keukentje is niet te klein en de douchecel laat niets te wensen over. Aan de buitenkant is een gezellig zitje, er is een telefoon en een radio. Het is een volkomen eigen huisje.’ Hoornwijck groeit uit tot een begrip. Niet om het motel, maar vanwege het aangepaste concept: je kunt er niet alleen slapen, maar ook vergaderen, eten, drinken en feesten. Het is eigenlijk geen motel naar Amerikaanse model. Dat geldt ook voor Motel Breda (1959), Motel Maarsbergen (1956) en Motel Nuland. Dit laatste wordt gebouwd door Gerrit van der Valk in 1968. En uiteindelijk overleeft dat motel als enige in een land dat geen moteltradities kent.
Motel Breda is te vaak van naam veranderd en eindigt als asielzoekerscentrum om in 2003 gesloopt te worden. Het is door de uitbreidende stad Breda ingehaald, omdat er nu eenmaal geen doorgaande wegen in een nieuwbouw woonwijk zijn. Motel Maarsbergen langs de A12 wordt in 2010 afgebroken om plaats te maken voor een Amrâth Hotel. Dat staat inmiddels weer te koop wegens gebrek aan klandizie. Maarsbergen biedt behalve een Tango Tankstation en een La Place wegrestaurant geen enkele reden om te stoppen met je auto. Omdat afstanden in Nederland lachwekkend klein zijn. Al kun je hier heel wat reistijd kwijt zijn aan korte afstanden.
Motel Nuland is eigenlijk het prototype van het Nederlandse wegrestaurant, annex motel. Ook Gerrit van der Valk ontdekt het fenomeen in de Verenigde Staten, maar past het concept aan naar de Nederlandse smaak. Slapen langs de snelweg en eten volgens de Hollandse keuken: grote porties tegen een redelijke prijs. Hij bouwt motels buiten de stad, op een goede locatie in een landelijke omgeving. Al in de jaren zeventig zijn er zo’n twintig van dergelijke zaken. De motels van Van der Valk worden door de familie zelf ontworpen en hebben altijd grote raampartijen en puntdaken. Al snel is de motelformule te klein en worden het hotels, zoals we ze nu nog kennen.

Ik ben gestopt bij een Formule 1 Hotel in Noord Frankrijk en de auto neergezet tussen vooral Oost-Europese vrachtwagens op een overvolle parkeerplaats. Dit is geen motel of hotel in de klassieke zin. Een zielloos gebouw zonder personeel. Hier is zelfs geen kantoor met een receptie. Ik betaal met een creditcard bij een machine aan de buitenmuur. Pas dan gaat de buitendeur open. De computer heeft mij kamer 3 op de begane grond gegeven. De kamer heeft twee bedden en een stapelbed. Eén wastafel en een televisie. De zelfreinigende toiletten en douche zijn op de gang. Alles is van plastic. Zonder ziel. In diezelfde gang staat ook een drankenautomaat. Zonder alcohol. De ontbijt-automaat is nog leeg. Ik denk aan een goede vriend die op weg naar zijn vakantiebestemming altijd in een F1 slaapt. Om kosten te besparen. Ik verwens hem even om deze deerniswekkende suggestie. Dit heeft niets met vakantie te maken.
Ik hoor wat gedempt gerommel op een andere kamer. En het monotone geluid van een koelgenerator van een vrachtwagen, die vlakbij het raam staat. Het lijkt stil, maar dat is het niet. Waar staat die vrachtwagen die mij straks wakker gaat houden? Ik doe het raam open en kijk recht in het uitbundige decolleté van een vrachtwagenhoer. In een reflex gooi ik het raam weer dicht. Opeens weet ik waarom die camper midden in de winter voor het hotel staat, maar wil niet denken aan wat zich daarbuiten en -binnen allemaal afspeelt. Ik trek een van de bedden open en kruip tussen maagdelijk witte lakens.